Onderzoeksrapport afdracht leenrechtvergoedingen naar de Kamer

Al jaren is er sprake van een daling van het aantal uitleningen in bibliotheken. Dat heeft directe gevolgen voor de inkomsten van auteurs, illustratoren en uitgevers. Toch is niet eenduidig waardoor het aantal uitleningen zo sterk daalt, van 125 miljoen in 2006 naar ongeveer 80 miljoen in 2015 (en daarmee ook een daling van de leenrechtvergoeding van in totaal circa 15 miljoen naar 11 miljoen). Uitgevers zullen zich in deze daling herkennen.

Verschillende cijfers worden opgegeven door bibliotheken aan de Stichting Leenrecht en het CBS. Ook de leenrechtvergoeding door de Bibliotheek op School (dBoS) wordt niet altijd eenduidig toegepast. En ook de opkomst van bijvoorbeeld ruilbibliotheken speelt een rol.

Stichting Leenrecht constateerde al eerder deze problemen en op basis van de bevindingen van de stichting heeft de minister van OCW, dr. Jet Bussemaker, aan onderzoeksbureaus Ecorys en IViR gevraagd de ontwikkelingen en de financiële gevolgen in kaart te brengen. Dit rapport en haar brief zijn op 16 juni naar de Tweede Kamer gestuurd. Het rapport bevestig de problemen met de registratie van boeken die in dBoS worden ‘uitgeleend’ en met de wijze waarop bibliotheken omgaan met opgaves aan Stichting Leenrecht en CBS.

De minister roept de Koninklijke Bibliotheek, de Vereniging Openbare Bibliotheken en Stichting Leenrecht op zo snel mogelijk praktische oplossingen uit te werken voor de in het rapport genoemde tekortkomingen en daarmee makers en uitgevers weer een billijke vergoeding te laten krijgen voor het gebruik van hun werk in bibliotheken. De leenrechtvergoeding vormt immers een belangrijke pijler onder een bloeiend literair- en leesklimaat in Nederland met een pluriform aanbod. Dat is ook voor bibliotheken zelf van groot belang.
Het NUV zal betrokken blijven bij dit proces.

Inmiddels heeft de Tweede Kamer op 28 juni tijdens een procedurevergadering besloten het rapport te betrekken bij het dossier cultuur.